A-b-c--die-Katze-lief-im-Schnee 

Winterlied

Van de ene naar de andere stad reist hij en ziet vanachter het coupéraam huizen voorbij flitsen, het licht in ramen, de trage gang van de koeien, de deurensluitende boer, laaggedakte loodsen, uit de industrielecomplexen wegfietsende werkers en aan de zoom van een akker, dan weer aan dat van een weiland of geestgrond, het coulissebos met aan de voet hopelijk ligusterstruiken.

Deze kustprovincie kent hij en weet dat achter die coulissen de duinen liggen die de zee bedwingen. Aan het uitzicht verandert nauwelijks iets; soms verkleurt het boomblad, wordt in een bouwput een gebouw opgetrokken. Staat de trein stil na de aanrijding met een persoon die het strakker aantrekken van het corset niet verdroeg, opnieuw een blad.

De mannen die in en uit stappen is hij gaan herkennen, zij hebben inmiddels hun baard kunnen laten staan, en dragen nu het koud is hun wollen mutsen.

- Peter Prins