haaientanden 

Haaientanden


Vandaag zag ik een boze blanke man. Ik dacht dat de boze blanke man niet bestond. Of dat-ie wel bestond, maar dan zoals de grote vriendelijke reus bestaat; in ons hoofd. De boze blanke man fietste rechtdoor op een plek waar iedereen zou verwachten dat hij rechtsaf zou slaan. Ook het meisje dat van rechts kwam maar hem, vanwege de haaientanden op de weg, voorrang had moeten verlenen. Dat deed ze niet, ze scheerde voor hem langs.

Bedankt zwarte, zei hij luid.

Niets geraakt, niemand gewond, alles ging gewoon door.

In de anderhalve seconde die ik had, nam ik alle tijd om de boze blanke man goed te bekijken. Hij fietste op een dure vouwfiets. Mensen met zo’n vouwfiets hebben met elkaar afgesproken dat ze altijd zeggen: hij is duur, maar hij fietst echt als een gewone fiets. Ja, maar je ziet er toch uit als een beer in het circus. De boze blanke man reed op een rood exemplaar. Hij droeg gezondheidsschoenen, een spijkerbroek en grijs nylon windjack uit 1994. De riem van zijn tas hing kruislings over zijn bovenlichaam en accentueerde zijn buik. De zwarte tas zelf hing op zijn rug; vouwfietsen dulden geen fietstassen. Hij had een heel normaal gezicht. Geen boos gezicht. Een rond gezicht met een snor en wegebbend haar. Hij had wat weg van Cliff Clavin, de postbode uit Cheers.

Bedankt zwarte.

Hij leek zelf niet geschrokken van zijn woorden.
Ondanks zijn onschuldige voorkomen, bekroop me de zin hem op zijn blanke ronde hoofd te slaan. Ik dacht aan de wet en aan de bijbel en aan mijn moeder en andere, minder invloedrijke instituten die eigenrichting afkeuren. Goede slechte excuses. Ik voelde me boos op de boze blanke man. Ik voelde me boos op mezelf.
De jonge vrouw fietste gewoon verder, keek lachend over haar schouder en zei op opgewekte en luchtige toon: oh, sorry hoor. Zij was het incident al vergeten, hij zou het thuis, achter een bord heerlijke stamppot, navertellen en ik zou er dit stukje over schrijven.

- J. Pennings