Schermafbeelding 2017-02-14 om 00.23.42 

Van de bank opgestaan

Van de bank opgestaan

Van de bank opgestaan, waar ik lag te lezen, om in het notitieboek deze aantekening te maken, daarna naar de leeszaal in het oostelijke deel te gaan, aan één van de met schotten gescheiden werkplekken bij het raam dit boek neerleggen, benevens mijn aluminiumkleurige puntenslijper, twee potloden, het gele, het blauwe met gouden biezen, om het werk te corrigeren,

om te niet verzuimen af te stappen, niet door fysiek instinct gedreven verder te fietsen, het park vol fluisterende wandelaars in, en daar kuierend langs het naar de horizon toe versmallend grindpad te genieten van deze zonnige dag,

in de ruime, lichte zaal bij het raam te zitten, waarachter trams rijden, mensen in opzichtige werkkleding, met het hoofd in de nek, het hydraulische werktuig te zien bewegen, waar een man en een vrouw de hond uitlaten, – een echtpaar dat in een grootwarenhuis langs de uitstallingen dwalend, overlegt wat afzonderlijk door hen wordt begeerd? (zij hem en hij haar?) – ,

mijn zwarte korte jas over de rugleuning van de kuipstoel te hangen, in het shirt met korte mouwen een actieve indruk te maken.

Deze jas sla ik al seizoenen lang om mijn schouders, met de herinnering dat het die jas is die een buurjongen aan mijn zoon gaf. Hij accepteerde die, maar droeg ‘em niet. Bij het keer op keer aandoen, speelt dit woordloze gebaar tussen twee vrienden zich weer af voor mijn geestesoog.

Deze zin overdenkend kijk ik op van het werk en zie aan de overkant van de straat een jonge vrouw met een sigaret tussen de lippen op een bejaarde man toelopen die onmiddellijk begrijpt wat zij hem wil vragen en haar zijn aansteker aanbiedt.

Ondertussen kluift een vrouw in de koninklijk oranje truitje, twee stoelen verder, hongerig ongestoord op de nagelriemen van haar linkerhand, denk ik dat de tram een dienstregeling heeft van om het kwartier te moeten vertrekken. Dan zit ik hier al anderhalf uur, bij tijd en wijle afgeleid door schuifelachtige geluiden die uit eerbied voor duizenden boeken en de dagelijks verse kranten in de leeszaal klinken,

aan de overkant een vrouw bij haar huis aankomt, een benedenwoning. Het grote raam aan de straatzijde is tot halverwege geblindeerd, haar binnenleven beschermend tegen de blikken van de voorbijgangers. Het geluid van de sleutel in het slot laat haar man met wanhopige blik reikhalzen over het geblindeerde deel. Eindelijk. In angstige spanning heeft hij op haar verlate komst gewacht, rusteloos vanwege een ongeduldige hond. Zonder om te kijken geeft zij met de linkervoet de deur een duw.

- Peter Prins