IMG_1400 

Naar buiten

Je boeltje heb ik op hun geëigende plek gelegd. Met gepaste aandacht, elk object met beide handen wegend, hoop ik, achteraf, bij je thuiskomst. Dan ziet de kamer er uit als de winkel op zondag.

Regelmatig kijk je op de keukenklok; zo’n goedkoop ding uit zo’n warenhuis net buiten de stadsgrens. Al zevenentwintig jaar wijst het je de tijd, die niet onderhevig is aan zwaartekracht zoals lichtgrijze sneeuwvlokken.

Uren eerder dan het efficiëntste, trok je het klaargelegde hemd aan, de laarzen met hoge schacht weg van onder de kapstok en koos de jas die bij het seizoen past: wol, driekwart lang.
Het besluit je beste hemd aan te trekken kostte geen moeite, de zes die je bezit zijn eender.

Aandacht schenken aan de tuin gaat vanmorgen niet. Het gestaag opschieten van de berenklauw, de ruwe getande bladeren aan de voet van de tere liguster, als het wetboek van strafrecht, laat je aan je voorbij gaan.

Het blad dat zich uit de zwarte aarde omhoog werkt jaagt ontzag aan. Ontzag als bij het horen van de stervenskreetjes van de vergiftigde muis onder de houten vloer.
Ik protesteerde met gebalde vuist om de hardvochtige houding die je hebt tegenover de dieren; honden horen thuis op het erf, in poten van onverlaten te bijten. Het is je om het natuurlijk evenwicht te doen.

Wachtend op de tram naar het station is het warmer dan je vermoedde; gevoelstemperatuur, het zal wat.
Je bent op weg naar een vrouw, om met haar een stoofschotel van kabeljauw te eten. Vissen die in scholen van geschat 21.000 ton het lekkerst zijn gevangen tijdens hun trek naar de Lofoten om daar te paaien.

Als zij over haar nieuwe vriend begint, die ander, neem je je voor aandachtig te luisteren naar hoe zij zijn haar heeft geknipt, zijn nek uitschoor met zijn eigen scheermes.

Dat van jou laat je hier.

Vanuit de trein heb je laag langs scherende velden gezien vol blauwe druifjes, rode tulpen en die vervelende kleine narcissen. Die riepen de herinnering op aan de, tot een sliert geregen gele kelken op de motorkap van de auto van de buren geknoopt.

Wij bezaten toen nog geen auto, slechts een paar fietsen en stadsgrenzen.

Verderop naast het spoor staan koeien in de wei. Als die willen kunnen ze via de kleine dam en het openstaande hek van veld en gezelschap wisselen.
Hoe een koe op dat idee moet komen is mij een raadsel. Herkauwen, zeg je, is een rondeel.

Met de linkerhand strijk je over het nieuwe blauw dat strak over de treinstoelen is gespannen en schrikt van de wens je naast die vrouw tegenover te vleien en alles in haar handen te leggen. Ze slaapt met het gezicht gericht op de laatste zin.

- Peter Prins