Ebenist 

Ebenist

In de kamer met kleine ramen op het zuiden zit U aan het gepolitoerde meubel en opent de met kleurige houtjes ingelegde klep, schuift die kleine lade open en dicht en begint met het schrijven van brieven over verre familieleden. Dat Iberische bruin, het zal toch niet dat..?

De zoon van de ebenist komt langs zodra hem dat goeddunkt. Zijn armen als klepels langs zijn lijf, staat hij daar in de kamer en tuurt schattend naar het meubel. Van zitten heeft hij eens gezegd, met een stem zacht als van een bankbediende die geld telt, dat doe je in het cafe en dan drinken tot je bevredigd bent.

Zijn komst vandaag, in de kamer met de kleine ramen op het zuiden, is toch onverwacht. Deze man, denkt U, zet met gemak een blèrend schaap over een hek of trekt zingend als een IJslandse visser aan de riemen van een sloep, zijn maten aanmoedigend.

De herfst is al een eind op streek. Dat stelt gerust, zoals ook het zware bruine vest dat nu van de hanger kan worden gehaald. De regen spoelt door de goten en de zoon van de ebenist stampt in de hal de modder van zijn schoenen. Nu staat hij daar met het hemd tot de hals toegeknoopt. Daaronder vast en zeker die melkwitte borst.
Met een van die klepels houdt hij een plastic tas recht vooruit: “De lamp, die hoort er nog bij.” Hij is kleiner dan U dacht, zittend aan het meubel.

Hij woont bij de glooïngen verderop, waar hij zijn vrouw vond. Lachend als zijn favoriete houtrasp, voegt hij er graag aan toe.
’s Nachts kijkt hij naar haar.

Nu moet U meekomen, Uw jas aandoen, het waait en er is kans op nog een bui. Gehaast doet U de brieven in de enveloppen, zegels erop en vraagt: “Staat de brievenbus daar nog,” hij knikt, “Is die al geleegd?” hij schudt de kop.

- Peter Prins