Tot onrust neigen 

Onrust door een aangekondigd onderzoek


Je bedoelt dat je tijdens het vouwen van de soepele schone lakens van gekamd katoen, dit overweegt en het vouwen vertraagt,

en bedenkt hoe zij het zullen aanpakken, die wetenschappers, mannen en vrouwen die hun studie en straks het werk in opperste concentratie uitvoeren. Je leest de informatie, de voorschriften, de eventuele gevolgen, kortdurende. Geen hand wordt in het vuur gestoken. Met ballpoint onderstreepte, doorgehaalde woorden, accolades die alinea’s aaneenhechten, de verticale krasjes in de kantlijn, Inca-taal, Oude Tekens, overwoekerde greppels.
Er is niet achter te komen of dit de kameleons zijn die binnenglippen, of dat die er sowieso al waren. Woorden zijn altijd dubbelzinnig, de veroorzakers van trammelant.
Zij zullen langs je heen praten, instrumenteel gemompel, gemurmel tussen de regels.

Je zinkt weg, lees dan tussen de regels

Dat gekoekeloer waar geen daglicht komt, is zoiets als een panchakarma. Vastgekoekte dosha’s zullen je gedwee als onschadelijk gruis verlaten, splinters van een vermolmde droom, de dagelijkse vlucht.
Het is voor het bestwil, zodat een brute apathische zwelling, die gauwdief, de adem niet wegrooft.
Moegeleefd, onopvallend, verschrompeld sterven zonder de dwang honderdtien te worden, zoekend naar de lauwe luchtjes in het portaal, van het trapje vallen, de enkel verstuiken en niet willen worden gemist, door hun bijvoorbeeld.

Trek vooral makkelijk zittende kleren aan, het bovengoed kan tijdens het onderzoek worden aangehouden

Voor de spiegel met alleen het donkerrode vestje, dat frivole dingetje, – zijn ogen glommen, zijn mondhoeken krulden, – kan dat wel? Die kleur, van vroeger, zo’n zelfde op je lippen? Schaamhaar bijknippen of wegscheren, een moderne indruk willen maken, taxerende blikken weerstaan, instrumentele latexhanden voor wie het eender is, die het niets uitmaakt, ontmanteld.

Kleren kunt U daar achterlaten en die handdoek meenemen

Nonchalant sussende woorden over je bescheiden ijdelheid en dat je gezonder kunt gaan leven, stekende zalf op die plekken smeren, volhouden, geen lange mouwen dragen, buitenlucht op de huid, wat zon kan geen kwaad, neem dat op de koop toe, volhouden, er is altijd wel iemand die van je houdt.

Er komt ruis, een verwarrende openbaring: hoopgevende, levensreddende, dat van die pleisters en ruwe plekken, tijdrekkend, liefdevol uit de schaduw van de jammerlijk gestorven broers te stappen. Niet op de lauweren hebben gerust, geen tijd voor wat zou worden afgemaakt, de zuigers in de kolommen laten zakken, onderwijl hun geschiedenis herkauwend. Nee, jongens die graag het dialect spraken, vis aten, wittebrood met makreel, die voor dag en dauw naar de markt gingen om de haring.
Vis die in vreemde landen wordt gegeten was hier niet te vinden, hun namen worden anders uitgesproken en de talenkennis van de jongens schraal.
Gewetensvol hebben zij alles achtergelaten, liggend in de aarde, hun aanvaarding is bij de koffie gememoreerd.

De herinnering bitterzoet

Tijdens je reis, naar het vreemde station in een verre stad, raakt je zakdoek kwijt, de grote liefdes uit het zicht, – de een na de ander –, het vertrouwen, – over het hoofd gezien – , verwachtingen, de gesprekken met steeds minder en minder woorden als met vader of hij de dynamiek van zijn kleinzoon kan waarderen, het simpele leven van een chauffeur, alleen in de bank zitten, en dan… “Dit is het, wil je water?”

- Peter Prins