Schermafbeelding 2017-11-11 om 13.16.28 

Houston, we have a problem

Hier zal het de hele dag blijven regenen.

Op de publieke grasvelden harken een stuk of wat mannen in fel oranje waterafstotende werkpakken de achtergelaten rommel van de verdwenen zonaanbidders bijeen. Altijd zijn het die mannen. Mannen met een stok met aan het uiteinde zo’n ijzeren klauw in de ene-, en een gele plastikzak in de andere hand. Mannen die niet bukken. Mannen uit het verre oosten, het diepe zuiden en hoge noorden, hebben streetwise de capuchons opgeslagen, hun hoofden verborgen in de hoodies.

Als het legen van de vuilnisbakken en het opklauwen van blikjes is gedaan, klimmen ze in het wachtende vrachtwagentje, net als kamelen, waterbuffels of rendieren worden bestegen: met trage zorg en aandacht. Iets bestijgen, of het nou een mens, een dier of een berg is, is werk.

De man achter het stuur is daar blijven zitten, draaide het portierraam ietwat naar omlaag om de mannen toe te roepen. Steekt het topje van de wijsvinger naar buiten om een wit dingetje dat achter lijkt te zullen blijven aan te wijzen. Hij is van hier, van het westen, denkt te weten hoe de vork in de steel zit, heeft een geldig rijbewijs en kan voornamen van enkele politici opnoemen. De met mannen en vuilnis volgeladen auto rijdt het uit zicht, begrensd door de kozijnen van het brede en hoge raam naast de kleine schrijftafel.

Dan komen de passanten op, met ontsloten parapluie’s, er onder het hoofd zorgelijk gebogen, het regent: Houston, we have a problem.

Dan is het wachten op de sporters, de hardlopers, en de doorgaans modern geklede hondenuitlaters. Die laten zich net als de grote meeuwen, de kraaien en houtduiven niet zien, het regent.

Er wonen rondom hier geen roekeloze dwalers, zomaar rondlopers. Daarvoor zijn hypotheken en huren te hoog en de verplichting in het weekend iets leuk te doen groot. Dit is niet te rijmen met die vervlogen zonaanbidders, maar neem het maar aan.

Het regenfront hangt boven het westen. In de rij aan de kassa worden hierover opmerkingen uitgewisseld, refererend aan een verre vakantie, de tijd toen men nog kind was en aan Bangladesh. – De caissière, u kent haar wel, die smetteloze lach, kijkt in haar geldlade en vraagt: kunt u er vijftigcent bij doen dan krijgt van mij een euro terug. In de rij achter dit verzoek wordt naarstig gehoofdrekend; het klopt. –

Hier in huis, moest links en rechts een lamp aan. Hier boven deze kleine schrijftafel naast het hoge raam en daar waar twintig minuten geleden de Italiaanse percolator met water en koffie is gevuld en op het gas gezet. Min of meer gelijktijdig met het water gevulde steelpannetje voor de eieren.

Is het nu al de tijd om over de lof der schaduw te schrijven? Is het de zompig vochtige herfstgeur die door de op de haak gezette balkondeur naar binnen sijpelt die deze gedachte opwekt? Moeten er nu al voorbereidingen worden getroffen tegen de vrieskouwe ochtenden waarop het daglicht pas rond een uur of negen tegen de nacht aanschurkt? Voorbereidingen met mentale vermoeienis tot gevolg? Schoenen en jassen uit de kasten opdiepen, maanden lang dromen over een zonnige plek ver weg, ver van de wasmachine en, inderdaad, de Italiaanse percolator? Wat helpt is dat het vraagteken een lelijk ding is, en het grijs dat de hemel van rand tot rand vult niet goed is te beschrijven.

Verderop in de regen en het schone gras loopt een vrouw. Haar hond, maat 36, heeft een fel oranje waterafstotend dekje op de rug gebonden gekregen. Het kopje en de minuscule dijen zijn onbedekt.

Doordat, bij nalezen van deze tekst met linkerarm op het ruwhouten bovenblad van de kleine schrijftafel werd geleund om zo het hoofd, nodeloos te ondersteunen, is er op de punt van de linkerelleboog een ruwe plek ontstaan.

- Peter Prins