zwaardvis 

Derde man

Op zoek naar werk en een slaapplaats beland ik in een dorpshaven aan de Oostkant van Nieuw Zeeland. De havenmeester wijst een klein scheepje aan. Er brandt licht. 
Probeer het daar.
Ik wandel er over de aanmeersteigers heen en klop op de houten deur van het scheepje.

De deur gaat open. Uit de kleine opening komt een grote man met een rood mutsje boven zijn getatoeëerde gezicht. Het gezicht hangt tussen meewarig en misprijzen in. De reus gebaart dat ik binnen moet komen. Hij zegt niets; ik moet me verklaren.
Ik zoek werk.
De schipper zoekt een derde man, zegt de Maori. De schipper komt morgen. Je kunt daar slapen.
Hij wijst richting vooronder. Ik niet of ik meteen moet ophoepelen of voor de gezelligheid of de beleefdheid nog even moet blijven zitten.
In de kajuit is op een kleine sneeuwende tv Freddy Mercury te zien.
Hou je van Queen?, vraag ik.
Ze waren goed, maar hij is nu dood. Hij, wijzend naar de zanger. Dood, herhaalt de Maori. He is very dead now.
Ik knik.
Verder zegt hij niets. Ik ga slapen. De Maori slaapt niet in het vooronder.

De volgende ochtend verschijnt de schipper. Hij heet Mike. Hij heeft een andere man bij zich: Mark. Mark is elektricien maar zoekt ander werk. Hij is de derde man.
Sorry.
De opbrengst wordt verdeeld. De schipper de helft, de maten beiden een kwart.
Jij mag ook mee, zegt schipper Mike tegen mij. Als kok. Je verdient dan niks, maar het kost je ook niks. We eten alles behalve vis.
Waarom niet.
Dat zie je wel.
Ik ga maar mee.
De boot is ongeveer vijftien meter lang en drieëneenhalve meter breed. De kleine kajuit staat ver naar voren, zodat op het achterdek gewerkt kan worden. Het is een long-liner met lijnen van 800 meter met daaraan om de paar meter een dwarslijn met grote vishaken.
Waar vissen we op?
Blue nose, hapuku, snapper.
Ik ken de soorten niet.
De schipper heeft een fauteuil uit zijn pick-up truck gehaald.
Die past nooit in het vooronder, zeg ik.
Nee, die gaat op de kajuit.
Zo doen ze het. Ze binden de bruine corduroy stoel goed vast.
Daar ga ik straks lekker in zitten, denk ik.

We varen de haven uit, de zee op, die direct heel groot is. Na drie uur weet ik wat zeeziek betekent. Zeeziek is de hel.
Blijf aan dek, zeggen de mannen.
Ik ga naar het vooronder. Ik wil dood.
Het duurt een halve dag, zegt Mike.
Ik wil dood.
Je hebt drie soorten mensen, zegt Mike, mensen die niet zeeziek worden, mensen die één keer zeeziek worden en mensen die iedere keer dat ze de zee op gaan zeeziek worden.
Hij gaat weer weg. Vissen.
Na een halve dag wil ik niet meer dood.
De dagen doen er niet toe. Lijnen uitzetten, vier uur wachten, lijnen binnenhalen. Dag en nacht.
Ik kook. Ik kook alles behalve vis. Aan de eerste lijnen die we binnenhalen zit trouwens weinig vis.
Maar de volgende ochtend zit aan vrijwel iedere haak een vis van ongeveer een meter. De vissen worden van de haken gehaald en op het dek gegooid. Ze zijn al dood, de zwemblaas komt als een opgeblazen condoom hun bek uit. Normaal zwemmen ze onder 20 atmosfeer waterdruk.
Als er haken zijn zonder vis, maar met nog aas eraan, dan moet het verrotte aas eraf. Het stinkt. De Maori bijt het eraf.
Veel sneller.
De vissen worden meteen schoongemaakt. We staan tot onze knieen in het bloed en de ingewanden.
Nog trek in vis? vraagt Mike.

Ik kook en loop wacht en help.
In de nacht schijnt een spot op het water waar de lijn wordt binnengehaald. Het licht trekt andere vissen aan. Een haai zwemt in het licht. Mike pakt een pikhaak en trekt de drie meter lange haai over de reling in het gangboord. De haai hapt naar ons.
Die is voor vissticks, zegt Mike.
Maar de haai leeft nog, weet zich samen te trekken en zich al spartelend overboord te werken.
Zonde, zegt Mike, die onverstoord verder werkt.
We zien walvissen. Ver weg. Bultruggen springen uit het water.
De zee is groot, de horizon een perfecte cirkel.
Ik zie het allemaal vanuit de bruine corduroy stoel op het dak van de kajuit.
Na zes dagen vissen varen we met een volle lading de gladde haven in.
En, vraag ik Mark de elektricien, wat ga je doen?
Ik word visser, zegt hij, ik word nooit zeeziek.

- J. Pennings